“Vormen zorginfecties een prioriteit voor de patiëntveiligheid?”
Zorggerelateerde infecties blijven een belangrijk aandachtspunt voor patiëntveiligheid in België. Cijfers van Sciensano tonen dat bijna één op de tien patiënten in Belgische ziekenhuizen te maken krijgt met minstens één zorggerelateerde infectie. Daarmee ligt België boven het Europees gemiddelde.
Om de kwestie hoger op de politieke agenda te plaatsen, organiseerde patiëntenvereniging Sepsibel een ronde tafel in het federaal parlement. Dr. Dirk Ramaekers, voorzitter FOD Volksgezondheid, en dr. Fabian Desimpel, adviseur bij Kabinet Vandenbroucke, openden het gesprek met de stand van zaken in België.
“Het Belgische zorgsysteem is innovatief en technologisch hoogstaand, met veel expertise. Toch blijven we botsen op dit ‘basisprobleem’", stelt Ramaekers. Ondanks jarenlange inspanningen om zorginfecties te verminderen tonen de resultaten geen verbetering, wat volgens hem wijst op een structureel knelpunt binnen de zorg. Op nationaal niveau staan te veel thema’s tegelijk op de agenda, waardoor prioriteiten onvoldoende scherp worden gesteld. Vanuit de zorgsector klinkt daarom de vraag naar meer sturing en duidelijke communicatie. Dat kan door data concreter en zichtbaarder te maken, zodat inspanningen bijvoorbeeld via een financiële incentive kunnen worden beloond.
Ramaekers en Desimpel wijzen daarnaast op de groeiende problematiek van antibioticaresistentie. In het verleden werden antibiotica vaak preventief ingezet, vanuit de gedachte dat voorkomen beter is dan genezen. Tegelijk blijft de ontwikkeling van nieuwe antibiotica beperkt, omdat het huidige verdienmodel voor farmaceutische bedrijven nog steeds weinig aantrekkelijk is. De Europese Unie wil daarom sterker inzetten op investeringen in de ontwikkeling van nieuwe antibiotica. Volgens Ramaekers en Desimpel zal er daarnaast begin maart van dit jaar een sepsiscoördinator worden aangesteld, die met het eerder opgeleverde sepsisplan aan de slag zal gaan.
Extra gezondheidsuitgaven
Voorkombare zorginfecties en complicaties leiden tot een hogere werkdruk, een grotere belasting van de werkcapaciteit en vermijdbare kosten. De menselijke en maatschappelijke kost van ziekenhuisinfecties (vermijdbaar en onvermijdbaar samen) is enorm. Per jaar gaat het om 900.000 extra ziekenhuis(her)opnames, 2.700 overlijdens en ruim een half miljard euro aan extra gezondheidszorguitgaven, beargumenteert Sepsibel op basis van cijfers van Sciensano.
Een mogelijkheid om zorginfecties te beperken ligt in een betere opvolging van vaccinaties, stellen Irina De Knop (Anders., voorheen Open VLD) en dr. Bart Demyttenaere (Solidaris). “De vaccinatiegraad bij volwassenen blijft onvoldoende, zeker voor RSV. Ik zie dat we het heel goed doen met kinderen, maar eens je volwassen bent, ben je op jezelf aangewezen. Wanneer je bijvoorbeeld op reis gaat naar een exotisch oord, moet je ineens zelf gaan uitzoeken of je wel mee bent met al je vaccinaties. Is dat de verantwoordelijkheid van de patiënt zelf, of zou bijvoorbeeld de huisarts hier een grotere rol in kunnen spelen?”, klinkt het.
'Ik zie dat we het heel goed doen met kinderen, maar eens je volwassen bent, ben je op jezelf aangewezen'
– De Knop en dr. Demyttenaere
Volgens De Knop en Demyttenaere zijn er in ons land verschillende tools ontwikkeld die geschikt zijn om vaccinaties te laten opvolgen door huisartsen. Want, door huisartsen nauwer te betrekken bij populatiemanagement en systematisch na te gaan wie wel of niet gevaccineerd is, kan de preventieve aanpak worden versterkt. Andere EU-landen boeken op dit vlak duidelijk betere resultaten dan België, stellen ze.
Dat er op het gebied van vaccinaties terrein te winnen valt, beaamt ook apr. Kathleen Depoorter (N-VA). “Als apotheker krijg ik bijvoorbeeld een pop-up op mijn scherm als een persoon nog geen covidvaccin heeft gehad. Dit kunnen we in mijn ogen prima verder uitbreiden naar andere vaccins, zoals RSV, waardoor we gemakkelijk het gesprek met patiënten aan kunnen gaan.”
Bruikbare data
Een ander belangrijk element in het voorkomen van zorggerelateerde infecties is dataverzameling. Echter valt er op dit terrein nog een hoop te verbeteren, zegt onder andere infectioloog dr. Erika Vlieghe, die wijst op een aantal structurele problemen in de keten van dataverzameling. “Het aanmaken van bruikbare datasets vergt veel manuele inspanning, omdat informaticasystemen onvoldoende op elkaar zijn afgestemd. We hebben het dus niet enkel over data van het RIZIV, maar ook klinische data, en dat moet je allemaal op elkaar afstemmen. Bovendien wordt niet het volledige spectrum van zorginfecties in kaart gebracht, waardoor er leemtes zijn. Dat is niet enkel een probleem in België; ook de omliggende landen, waaronder Nederland, lopen tegen deze uitdagingen aan.”
Vlieghe stelt daarbij de kritische vraag welke plaats preventie van zorginfecties daadwerkelijk inneemt binnen ziekenhuizen. In jaarverslagen is er ruime aandacht voor innovatie en financiële prestaties, maar zelden voor vermeden infecties. Preventiegerelateerde disciplines, zoals infectiologie, genieten bovendien een beperkte financiële erkenning en nomenclatuur. Investeringen van ziekenhuizen gaan vaker naar zichtbare innovaties dan naar de uitvoering van bijvoorbeeld hygiënische zorgpraktijken. Een mogelijke financiële incentive vanuit de overheid kan volgens haar een interessante optie zijn om het beleid omtrent zorginfecties te sturen.
Maar hoewel een financiële incentive een belangrijke motivator voor instellingen kan zijn, noteert Depoorter een kanttekening. “De manier waarop ziekenhuizen infecties registreren, kan per instelling verschillen. Hierdoor is het lastig om op nationaal niveau een uniform plan te trekken en ziekenhuizen te belonen voor ‘good practices’. We zouden dus werk moeten maken van een uniform systeem van registratie.”
Dr. Boudewijn Catry (Sciensano) wijst erop dat België over veel data beschikt, maar dat die vaak laattijdig bij zorgverleners en beleidsmakers terechtkomen. “Het systeem laat alle actoren toe om uitgebreid hun data te controleren en te valideren, voordat ze het publiceren. Europese privacyregels beschermen daarnaast, terecht, de data van de patiënt, maar zorgen tegelijk voor vertraging en extra administratieve lasten”, stelt hij. Volgens Catry is een herziening van bepaalde regels daarom aangewezen, zodat beleid en wetenschap sneller met relevante data aan de slag kunnen.
Hygiëne kost arbeidstijd
Tot slot speelt ook de mentaliteit van het zorgpersoneel een rol. Want, hoe ga je als hoofdarts met iemand om die niet alle hygiëneregels opvolgt? “Preventie heeft een collectieve dimensie. De arts, de vroedvrouw, verpleegkundigen, maar ook de schoonmaker, allemaal spelen ze een belangrijke rol. Het gevoel van urgentie moet dus prominent bij iedereen aanwezig zijn, maar dat is niet altijd gemakkelijk. Hygiëne kost namelijk arbeidstijd. En wanneer het operationeel druk is, kan het gebeuren dat niet alle regels altijd even strak worden opgevolgd”, zegt hoofdarts dr. Xavier Muschart (UCL Namur). “Daarom moet je als hoofdarts assertief zijn en je verantwoordelijkheid nemen, mogelijk met dwangmaatregelen.”