Cassatie: beroepsverbod arts wegens voorschrijven drugs terecht
Het Hof van Cassatie bevestigt de beslissing van het hof van beroep van Gent, dat een arts de ontzetting van het recht om geneeskunde uit te oefenen oplegde. De arts had verslavende medicatie voorgeschreven zonder therapeutische reden.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Hof van Cassatie velde op 17 maart 2026 een arrest over het misbruik van het voorschrijven, toedienen of afleveren van geneesmiddelen die slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren.
De aanleiding was een beroep tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 december 2025 (niet gepubliceerd).
Artikel 3 § 3 van de wet van 24 februari 1921, de zogenaamde drugswet, stelt strafbaar de beoefenaars van de geneeskunde die misbruik maken van het voorschrijven, toedienen of afleveren van geneesmiddelen die slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotropische stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren.
Het arrest van het Hof van Beroep
Het hof van beroep van Gent oordeelde dat er niet de minste redelijke twijfel over bestond dat de arts misbruik maakte van het voorschrijven, toedienen of afleveren van geneesmiddelen die slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren.
Uit het deskundigenverslag kwam naar voor dat de geneesmiddelen medisch gezien niet verantwoord waren, geen therapeutisch doel dienden en vooral niet passend en correct voor de betrokken patiënt konden worden beschouwd
Volgens het deskundigenverslag werkte deze medicatie de verslaving van de patiënt in de hand en was ze niet aangewezen in het licht van de medische problematiek van de patiënt en zelfs gevaarlijk.
In het licht van de strafinformatie was het volgens het hof ‘zonneklaar’ dat het afleveren van de voorschriften aan de patiënt niks te maken had met een door hem gemaakte professionele inschatting van de therapeutische noden van de patiënt maar enkel werden ingegeven door zijn wens om de patiënt ter wille te zijn om redenen die aan de therapeutische noden volledig vreemd waren.
Het hof van beroep legde de arts de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen op.
Beroepsverbod niet disproportioneel
De arts voerde aan dat het arrest van het hof van beroep artikel 7, § 2, Strafwetboek had geschonden. Het tweede lid bepaalt dat de rechter binnen de grenzen van de wet moet zoeken naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf.
Volgens het Hof van Cassatie heeft het hof van beroep met de hierboven vermelde redenen het verweer van de arts betreffende de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen verantwoord en duidelijk gemaakt waarom die straf niet disproportioneel is.
Geen schending artikel 8 Verdrag Mensenrechten
Der arts voerde ook de schending aan van artikel 8 van het Europees Verdrag Rechten van de Mens (recht op privacy), waarvan § 2 luidt: "2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."
De ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen zou door het hof van beroep zijn uitgesproken met als enige reden dat dit noodzakelijk zou zijn om een gevaar voor de volksgezondheid te neutraliseren. De arts stelde dat de veroordeling betrekking heeft op het voorschrijfgedrag ten aanzien van één welbepaalde patiënte in een specifieke context, en niet ten aanzien van verschillende of alle patiënten die hij behandelt.
Ook dit middel kon het Hof van Cassatie niet overtuigen. Bij gebrek aan belang was dit middel niet ontvankelijk, aldus het Hof van Cassatie.