GBO wil echt overleg tussen artsen en ziekenfondsen behouden
Kaderwet, begroting voor de gezondheidszorg, hervorming van de nomenclatuur en de ziekenhuizen, mutualiteiten, taakverdeling: in een gesprek met Artsenkrant lichten Anne Gillet, Paul De Munck en Ariane Peters de prioriteiten en rode lijnen van artsensyndicaat GBO (onderdeel van Kartel) toe.
Artsenkrant: Hoe kijkt u aan tegen de Belgische Unie van Gezondheidswerkers (UBPS/BUG)?
Anne Gillet: De UBPS stelt de juiste vragen en verwoordt onmiskenbaar een gevoel van frustratie dat vandaag bij veel artsen heerst. Op dat punt zijn we het eens.
Waar we van mening verschillen, is wat de oplossingen moeten zijn. Het is relatief eenvoudig om te zeggen wat je niet wilt als je niet de verantwoordelijkheid draagt om deel te nemen aan de onderhandelingen en, vooral, om tot concrete oplossingen te komen. Een representatieve vakbond moet aanwezig zijn waar de beslissingen worden genomen, onderhandelen, soms compromissen sluiten en daar vervolgens verantwoording voor afleggen aan haar leden.
We moeten ook rekening houden met een realiteit: de middelen die aan de gezondheidszorg worden besteed, zijn niet onbeperkt. Onze eerste verantwoordelijkheid is vanzelfsprekend het verdedigen van de artsen en het meer waarderen van hun werk. Maar we moeten ook bijdragen aan de ontwikkeling van een duurzaam, rechtvaardig zorgstelsel dat voor iedereen toegankelijk is, maar binnen een vast budget!
Voor ons kan een sterke vakbond zich daarom niet beperken tot het doorgeven van de woede vanuit de praktijk. Ze moet die woede omzetten in realistische voorstellen en directe invloed uitoefenen op de besluitvorming.
"Een sterke vakbond mag zich niet beperken tot het doorgeven van de woede vanuit de praktijk."
- Anne Gillet
De Kaderwet is door het Parlement goedgekeurd en inmiddels ook in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Hoe kijkt u aan tegen het proces dat tot de goedkeuring ervan heeft geleid?
Ariane Peters : Het proces was lang en vrij ingewikkeld. We hebben ons al vanaf de eerste versies van de tekst ingezet, samen met onze partners van het Kartel, en er zijn maandenlange besprekingen geweest met de minister. We hebben onze zorgen ook kenbaar gemaakt aan zowel de meerderheids- als de oppositiepartijen. En dat werk heeft zijn vruchten afgeworpen, want de definitieve tekst wijkt aanzienlijk af van het oorspronkelijke ontwerp.
Waar we veel kritischer over zijn, is het einde van het proces. We hadden echt het gevoel dat de laatste beslissingen voornamelijk op politiek niveau werden genomen, boven de hoofden van de vertegenwoordigers van de zorgverleners.
En bovenal blijft er een fundamenteel probleem bestaan over de manier waarop deze wet is aangenomen: meer dan 6.500 zorgverleners hebben deelgenomen aan de door het RIZIV georganiseerde raadpleging, maar hun bijdragen zijn niet meegenomen in een daadwerkelijke evenredigheidsbeoordeling, terwijl dit door de Belgische en Europese wetgeving wordt voorgeschreven. Dit is precies de reden waarom we de Belgische staat in gebreke hebben gesteld.
Voor ons is het absoluut noodzakelijk om een echt overleg tussen artsen en ziekenfondsen te behouden. Dat is een van de pijlers van ons systeem.
Zijn jullie tevreden met de wijzigingen ten opzichte van het eerste ontwerp? Wat zijn de knelpunten?
Ariane Peters: We zouden ons standpunt als volgt kunnen samenvatten: er is wel naar ons geluisterd, maar slechts voor de helft. Er is echte vooruitgang geboekt ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp. Gedeeltelijke conventionering blijft mogelijk, de beperking van honorariumsupplementen is uitgesteld en zal via overleg moeten verlopen, en de waarborgen rond een eventuele opschorting van het RIZIV-nummer zijn versterkt.
Maar verschillende punten blijven problematisch. Wij zijn met name gekant tegen de mogelijkheid om bestaande premies, zoals de premie voor geïntegreerde huisartsenpraktijk, te koppelen aan de conventionering. We betwisten ook het principe om een deel van de financiering van de medische syndicaten afhankelijk te maken van het percentage van hun leden dat zich conventioneert, omdat dit rechtstreeks hun onafhankelijkheid aantast.
Daarnaast is er nog een meer algemene zorg: de wet geeft de minister meer bevoegdheden om in te grijpen in het gezondheidsbeleid, de begroting en, onder bepaalde omstandigheden, de vaststelling van de honoraria. Voor ons is het absoluut noodzakelijk om een echt overleg tussen artsen en ziekenfondsen te behouden. Dat is een van de pijlers van ons systeem.
ABSyM/BVAS en Kartel hebben de Belgische staat in gebreke gesteld: wat zijn de volgende stappen?
Ariane Peters: We hadden de Belgische staat vijftien dagen de tijd gegeven om te reageren op onze ingebrekestelling van afgelopen juni. We hebben geen reactie ontvangen van het kabinet.
De volgende stap zou dus kunnen zijn dat we een klacht indienen bij de Europese Commissie wegens het niet nakomen van de verplichtingen op het gebied van evenredigheidsbeoordeling. Maar die beslissing moet nog collectief worden genomen. Dit onderwerp staat juist op de agenda van de bestuursvergadering van het Kartel op 2 september.
Afhankelijk van het besluit dat daar wordt genomen, zullen we vervolgens overleggen met de ABSyM en eventueel met de organisaties van tandartsen en orthodontisten die zich bij onze actie hebben aangesloten. In dit stadium staat de deur voor een Europese actie dus duidelijk open, maar we willen gezamenlijk beslissen over de verdere stappen en het tijdschema daarvan. (Inmiddels werd deze klacht effectief ingediend, red.)
Begroting: de eerstelijnszorg behouden
Een van de nieuwigheden die door de kaderwet werd ingevoerd – de opdrachtbrief van de Ministerraad – is dit jaar niet verzonden. We keren dus terug naar de klassieke procedure voor het opstellen van de begroting voor de ziekteverzekering. Hoe ziet u deze fase? Zijn nieuwe bezuinigingen niet onvermijdelijk?
Paul De Munck: Bezuinigingen zullen ongetwijfeld onvermijdelijk zijn in het kader van de algemene begrotingsinspanning van de regering. Maar men zou ons er nog van moeten overtuigen dat deze opnieuw ten koste moeten gaan van de gezondheidszorg, waarvan de middelen nu al niet in hetzelfde tempo toenemen als de behoeften.
Waar wij voor pleiten, is niet een opeenvolging van bezuinigingen, maar het streven naar efficiëntie: de beschikbare middelen beter benutten, zorg met een lage toegevoegde waarde terugdringen en investeren waar dat in de toekomst grotere uitgaven kan voorkomen.
Wij juichen de inspanningen van de minister toe om het budget voor de gezondheidszorg binnen de coalitie zoveel mogelijk op peil te houden. Maar de beschikbare ramingen wijzen niettemin op een besparing van bijna 172 miljoen euro voor 2027, waarvan ongeveer 54 miljoen voor andere sectoren dan de geneesmiddelen. GBO zal dan ook de discussies na de zomervakantie nauwlettend volgen, zodat deze bezuinigingen zo min mogelijk gevolgen hebben voor de eerstelijnszorg en de huisartsgeneeskunde, die juist versterkt moeten worden.
Een van de voorgestelde maatregelen is de verhoging van het remgeld. Wat vindt u daarvan?
Paul De Munck: We kunnen ons vinden in het principe van een redelijke indexering van het remgeld, dat al lange tijd niet meer werd aangepast. Maar we zijn geen voorstander van een systematische en lineaire verhoging van het bedrag dat rechtstreeks ten laste van de patiënten blijft. Dit aandeel is al aanzienlijk en blijft stijgen, met name in de specialistische geneeskunde en voor geneesmiddelen. Dit zou een verkeerd signaal zijn wat betreft de toegankelijkheid van de gezondheidszorg.
Integendeel, we moeten de meest kwetsbare patiënten beschermen en het remgeld gebruiken als een echt instrument om patiënten door het zorgstelsel te leiden. Wij pleiten al lang voor een verlaging of zelfs afschaffing ervan wanneer de patiënt door zijn huisarts wordt doorverwezen naar een specialist, ook wanneer meerdere specialistische consulten nodig zijn.
Uit onderzoek blijkt dat een systeem dat de voorkeur geeft aan eerstelijnszorg over het algemeen goedkoper is. Het versterken van deze rol van de huisarts is dus ook een manier om op de langere termijn besparingen te realiseren.
Een van de ideeën in de voorlopige versie van de opdrachtbrief was de invoering van een soort 'centenindex', met aftopping van de indexering van de honoraria. Is dit een haalbare optie?
Paul De Munck: Ja, in principe kan deze optie worden overwogen, op één essentiële voorwaarde: dat de vrijgemaakte middelen volledig binnen de betreffende sector blijven. Dat was overigens ook de bedoeling van het ontwerp van de opdrachtbrief, aangezien de marge die voortvloeit uit de plafonnering van de indexering binnen elke sector moest dienen om nieuwe initiatieven te financieren of om honoraria te verhogen die momenteel onvoldoende worden vergoed.
In die logica kan het mechanisme zelfs een interessant instrument zijn om het evenwicht te herstellen. We weten dat bepaalde prestaties vandaag de dag ondergewaardeerd zijn en dat een strikt lineaire toepassing van de indexering deze verschillen niet kan corrigeren.
We kunnen dus spreken over een meer gerichte inzet van het indexatiebedrag, mits hierover in overleg wordt beslist en het daadwerkelijk dient om de middelen binnen de sector beter te verdelen. Dit mechanisme mag uiteraard op termijn niet uitgroeien tot een manier om het budget voor honoraria simpelweg te verlagen.
Hoe staat het met de honoraria voor teleconsultaties?
Paul De Munck: Wij betreuren het dat de vergoeding voor telefonische consulten is afgeschaft zonder dat er een echte vervangende maatregel is getroffen. De aanzienlijke stijging van het aantal facturen voor ‘adviezen’ sinds deze afschaffing toont echter aan dat huisartsen en hun patiënten behoefte hebben aan communicatie op afstand, zeker in regio’s die kampen met een tekort aan huisartsen. Het bedrag dat voor deze ‘adviezen’ is uitgetrokken, is echter onvoldoende om een volwaardig telefonisch consult te vergoeden.
De ACA-hervorming heeft geen antwoord op deze kwestie geboden en heeft de zaak doorverwezen naar de Médicomut, binnen een budget dat al zeer krap is. Er ligt nu een voorstel op tafel voor een forfaitaire financiering gekoppeld aan het GMD. GBO pleit daarentegen voor een vergoeding per prestatie, waarmee rekening kan worden gehouden met de zeer uiteenlopende behoeften per praktijk en per regio, met name in de gebieden die het zwaarst door een artsentekort worden getroffen.
Het schrappen van de financiering van teleconsultatie is in onze ogen het schoolvoorbeeld van een kortetermijnbesparing die op termijn juist tot hogere uitgaven kan leiden. Een patiënt die niet snel antwoord krijgt van zijn huisarts, loopt het risico zijn toevlucht te nemen tot de spoedeisende hulp of tot andere, veel duurdere voorzieningen. Bovendien voorkomt een consult op afstand ook onnodige verplaatsingen, met een duidelijk milieuvoordeel.
"Het schrappen van de financiering van teleconsultatie is het schoolvoorbeeld van een kortetermijnbesparing die op termijn juist tot hogere uitgaven kan leiden."
- Paul De Munck
Nomenclatuur: de strijd om de juiste waarde
De hervorming vordert gestaag. Onlangs zijn er rapporten gepubliceerd over het relatieve gewicht van de prestaties en over de raming van de praktijkkosten. Wat zijn volgens u de belangrijkste aandachtspunten?
Anne Gillet: Het doel van de hervorming is om te komen tot honoraria die overeenkomen met de reële waarde van de geleverde dienst, op basis van één enkele, wetenschappelijk gevalideerde en aanvaarde schaal. Maar we constateren vandaag een groot probleem: het rapport van de ACA stelt dat het bij consulten niet mogelijk is om een onderscheid te maken tussen de vergoeding voor het medische werk zelf en de praktijkkosten.
Voor de GBO is dit onderscheid tussen honoraria en kosten echter onontbeerlijk. Een van de fundamentele doelstellingen van de hervorming is het verkleinen van de verschillen in vergoeding tussen specialismen, maar ook, binnen eenzelfde specialisme, tussen ziekenhuiszorg en ambulante zorg. Hoe kan dit worden bereikt als men niet weet wat de arts daadwerkelijk wordt vergoed en wat zijn kosten dekt?
Uit het onderzoek van Kesteloot en Gillet blijkt dat het mogelijk is om op deze weg verder te gaan. Wij vragen dan ook dat het onderzoek op wetenschappelijke basis wordt voortgezet en verdiept.
Wij beschouwen de moeilijkheden waarmee de ACA te kampen heeft niet als een definitieve mislukking: we moeten onszelf de middelen verschaffen om verder te gaan en zo de oorspronkelijke doelstelling van de hervorming te bereiken, namelijk het verkleinen van de ongerechtvaardigde verschillen.
Het project gaat uit van een standaardduur van 20 minuten voor een consult. Is dat een goed idee?
Anne Gillet: Het is een goede zaak om de tijd die aan het consult wordt besteed te waarderen. Dit is een wens van zowel patiënten als zorgverleners, en voor de huisarts is tijd inderdaad zijn belangrijkste instrument. Maar die 20 minuten moeten een theoretisch uitgangspunt blijven en mogen geen rigide norm worden die per patiënt moet worden gerechtvaardigd.
We vragen vooral dat de hervorming, in het algemeen, onderscheid maakt tussen eenvoudige en complexe consulten, zoals dat in de psychiatrie al het geval is. In de huisartsgeneeskunde kunnen een psychische aandoening, een adolescent die door zijn ouders wordt begeleid of een complexe psychosociale situatie veel meer tijd vergen.
Dit onderscheid zou overigens ook bij specialisten moeten bestaan. En als tijd het criterium is dat in de hervorming wordt gehanteerd, dan moet men zich baseren op de daadwerkelijk bestede tijd en op objectieve gegevens. Anders bestaat het risico dat bepaalde handelingen of bepaalde consulten structureel te hoog worden gewaardeerd.
Ten slotte speelt er een bredere kwestie van subsidiariteit. Een eenvoudig consult door een specialist zou niet hoger gewaardeerd mogen worden dan dezelfde behandeling door een huisarts. Omgekeerd moet, wanneer een huisarts een patiënt doorverwijst voor een complexe situatie die daadwerkelijk de expertise van de specialist vereist, deze behandeling hoger gewaardeerd kunnen worden. Op termijn zal de hervorming dus ook de vraag moeten durven stellen: wie doet wat? Het doel moet zijn om complementariteit tussen de zorglijnen te organiseren in plaats van concurrentie daartussen.
Op termijn zal een waardeschaal moeten worden omgezet in een schaal uitgedrukt in euro's. Binnen een vast budget betekent dit dat bepaalde prestaties beter zullen worden vergoed, terwijl andere zullen moeten inleveren. Hoe ziet u deze ontwikkeling?
Anne Gillet: Binnen een vast budget zullen er inderdaad keuzes moeten worden gemaakt. Volgens de GBO moeten bepaalde diensten duidelijk hoger worden gewaardeerd, met name de zwaarste werkzaamheden, zoals wachtdiensten, maar ook de intellectuele inspanning wanneer deze niet gepaard gaat met een technische handeling.
Als we de ongerechtvaardigde inkomens verschillen tussen disciplines willen verkleinen, zullen we moeten accepteren dat de verdeling van de beschikbare middelen opnieuw in evenwicht wordt gebracht.
Ziekenhuizen: medezeggenschap waarborgen
De IMC Volksgezondheid heeft een akkoord bereikt over een hervorming waarbij ziekenhuizen in vier typen worden ingedeeld: universitair ziekenhuis, regionaal algemeen ziekenhuis, dagziekenhuis en ziekenhuis voor intermediaire zorg. Tegelijkertijd werd verduidelijkt dat geen enkele campus gedwongen zal worden te sluiten. Hoe kijkt u aan tegen deze hervorming?
Anne Gillet: Wij spreken ons in de eerste plaats uit over wat de huisartsgeneeskunde rechtstreeks aangaat: de organisatie van de wachtdienst en de niet-planbare zorg.
De ziekenhuishervorming zou juist de gelegenheid moeten zijn om deze organisatie in haar geheel te herzien. Spoeddiensten en huisartsen moeten met elkaar om de tafel gaan zitten om duidelijk vast te stellen wie wat voor zijn rekening neemt, zowel tijdens de wachtdienst als doordeweeks. Op ons initiatief hebben de eerste bijeenkomsten hierover plaatsgevonden in het kabinet van [Waals minister van Volksgezondheid, red] minister Coppieters.
Wat ons zorgen baart, is dat er lokale centra voor spoedeisende geneeskunde ontstaan zonder dat er echt is nagedacht over de volksgezondheid in overleg met vertegenwoordigers van de huisartsgeneeskunde, en zonder dat er noodzakelijkerwijs sprake is van samenwerking met de huisartsen in het betreffende gebied.
De reorganisatie van de spoeddiensten in ziekenhuizen was nochtans een ideale gelegenheid om na te denken over de subsidiariteit van de zorg: welke patiënt moet worden behandeld, waar en door welke zorgverlener?
De hervorming van de nomenclatuur, waarbij er een opsplitsing is tussen een professioneel deel en een kostengebonden deel, betekent een breuk met het huidige systeem van afdrachten dat artsen invloed geeft op het ziekenhuisbeleid. Wat is uw standpunt hierover? Hoe zou het medebestuur dan moeten worden georganiseerd?
Anne Gillet: Wij hechten veel waarde aan een daadwerkelijk medebestuur van de ziekenhuizen. Artsen moeten invloed kunnen uitoefenen op de beslissingen die bepalend zijn voor het beleid van de instelling en, via dat beleid, voor de kwaliteit en de organisatie van de zorg.
Maar we moeten deze kwestie onderscheiden van die van de honoraria. Vandaag de dag geven de afdrachten de artsen financiële medezeggenschap in het ziekenhuisbestuur. Als we van mening zijn dat deze invloed onmisbaar is om hun beslissingsbevoegdheid te waarborgen, maken we de hervorming van de nomenclatuur en de scheiding tussen honoraria en kosten praktisch onmogelijk.
We moeten het medebestuur dus op een andere manier waarborgen, door het daadwerkelijk in de besluitvormingsstructuur van het ziekenhuis te verankeren. Een mogelijkheid die wij bepleiten, is die van een medisch directeur die over daadwerkelijke zeggenschap beschikt in het bestuur, ook ten opzichte van de administratieve leiding.
Het doel is dat de keuzes in het ziekenhuis niet hoofdzakelijk worden gedicteerd door financiële of bestuurlijke vereisten, maar in de eerste plaats blijven worden geleid door gezondheidsdoelstellingen. De medische zeggenschap in het ziekenhuis moet berusten op een duidelijk georganiseerde besluitvormingsverantwoordelijkheid, niet op de hoogte van de honoraria die kunnen worden afgestaan.
Ziekenfondsen: de kloof meten zonder deze gelijk te stellen aan fraude
Minister Vandenbroucke heeft een pact voorgesteld om de ziekenfondsen te hervormen, met name om belangenconflicten te voorkomen. Wat vindt u daarvan?
Paul De Munck: Wij staan positief tegenover elke maatregel die belangenconflicten binnen de verzekeringsinstellingen helpt voorkomen. Iedereen heeft daar baat bij, ook de mutualiteiten zelf, die zo kunnen reageren op een kritiek die regelmatig aan hun adres wordt geuit.
Dit doet echter geen afbreuk aan ons vertrouwen in de rol van de mutualiteiten in ons zorgstelsel. Voor GBO hebben mutualiteiten een volwaardige plaats in het overleg en de organisatie van de zorg, op voorwaarde dat de verantwoordelijkheden van iedereen duidelijk zijn afgebakend en dat eventuele belangenconflicten worden vermeden.
In tegenstelling tot ABSyM/BVAS zijn wij niet tegen het principe om de gezondheidsautoriteiten te voorzien van instrumenten waarmee het gebruik van zorg kan worden gemeten.
Een nieuwe wet stelt het IAM in staat om datamining toe te passen op geaggregeerde gegevens om eventuele „fraude” op te sporen. Wat is uw standpunt hierover?
Paul De Munck: In tegenstelling tot ABSyM/BVAS zijn wij niet tegen het principe om de gezondheidsautoriteiten te voorzien van instrumenten waarmee het gebruik van zorg kan worden gemeten, integendeel! Je kunt alleen goed corrigeren wat je meet. De gegevens waarover de ziekenfondsen beschikken, kunnen uiterst nuttig zijn om praktijken te analyseren, te evalueren en de kwaliteit van de zorg te verbeteren.
Het zou daarentegen problematisch zijn om deze gegevens uitsluitend te gebruiken om "veelverbruikers" te identificeren, die al te snel met fraudeurs worden gelijkgesteld. Een zorggebruik dat afwijkt van het gemiddelde kan talrijke legitieme verklaringen hebben die verband houden met het patiëntenbestand of de aard van de praktijk.
Wij zijn dan ook voorstander van meer transparantie: elke zorgverlener zou inzicht moeten hebben in zijn eigen gegevens en deze moeten kunnen vergelijken met die van zijn professionele omgeving. En wanneer de DGEC een gebruik vaststelt dat het als abnormaal beschouwt, moet de betrokken zorgverlener de kans krijgen om gehoord te worden en zijn praktijk toe te lichten alvorens er conclusies worden getrokken. Als vervolgens daadwerkelijk fraude wordt vastgesteld, is het uiteraard normaal dat deze wordt bestraft.
Ten slotte moeten de rollen duidelijk van elkaar worden onderscheiden. De DGEC moet haar controletaken kunnen uitvoeren, terwijl de NRKP haar rol op het gebied van kwaliteitsbevordering, evaluatie en preventie ten volle moet vervullen. Het controleren en verbeteren van werkwijzen zijn twee complementaire processen, maar ze moeten onder de verantwoordelijkheid van afzonderlijke instanties vallen. Dit is essentieel om het vertrouwen en de steun van de zorgverleners te behouden.
Apothekers en kine: de taakverdeling organiseren
Apothekers spelen een steeds belangrijkere rol, met name bij vaccinaties en preventie, bijvoorbeeld van hoge bloeddruk en diabetes. Wat vindt u daarvan?
Paul De Munck: Het debat over de rol van apothekers is niet nieuw. Al enkele jaren brengt het medisch-farmaceutisch overleg apothekers en artsen samen om juist aan deze kwesties te werken. We vinden het jammer dat dit overleg niet meer steun krijgt van de overheid.
Voor ons is de echte vraag niet zozeer of apothekers meer taken op zich kunnen nemen, maar welke, waarom en in welk kader. Iedereen moet zijn of haar bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen: de apotheker is de specialist op het gebied van geneesmiddelen, terwijl de diagnose en het vaststellen van de behandeling onder de verantwoordelijkheid van de arts vallen.
Maar de apotheker kan uiteraard een zeer nuttige rol spelen op het gebied van preventie en bewustmaking. Als hij bijvoorbeeld een abnormale bloeddruk of bloedsuikerspiegel constateert en de patiënt aanmoedigt om zijn huisarts te raadplegen, kan dat zeker bijdragen aan een betere preventie.
De essentiële voorwaarde is echter dat deze ontwikkeling wordt georganiseerd binnen een echt kader van overleg tussen de verschillende beroepsgroepen en de autoriteiten. De taakverdeling kan niet afzonderlijk worden vastgesteld voor elke beroepsgroep. Dit dreigt concurrentie of wantrouwen te creëren, terwijl we juist samenwerking nodig hebben.
Vaccinatie is hier een goed voorbeeld van: als de informatie onmiddellijk tussen de apotheker en de huisarts wordt uitgewisseld, kunnen de rollen elkaar aanvullen. Indien iedereen in zijn eigen circuit werkt zonder voldoende communicatie, wordt het zorgtraject van de patiënt nog verder versnipperd. En uiteindelijk zijn het de patiënt en het zorgstelsel die daaronder lijden.
Vanaf 1 januari 2027 worden kinesessies voor lichte rug- of nekpijn ook vergoed zonder voorschrift van de huisarts. Is dit een positieve ontwikkeling?
Paul De Munck: Deze ontwikkeling past in een bredere discussie over de autonomie die aan andere zorgverleners kan worden toegekend voor bepaalde handelingen die rechtstreeks onder hun bevoegdheden vallen. Het verzoek van kinesisten om bepaalde patiënten zonder voorschrift te mogen behandelen is overigens niet nieuw, aangezien hun federale raad hierover al in 2015 een positief advies had uitgebracht.
We hebben actief deelgenomen aan het overleg dat hierover werd georganiseerd in het kabinet van minister Vandenbroucke. In principe is GBO niet tegen directe toegang tot kinesitherapie in bepaalde situaties en voor bepaalde, duidelijk omschreven aandoeningen. Maar we hebben aangedrongen op een essentiële voorwaarde: dit moet plaatsvinden binnen een echt overlegkader tussen artsen en kinesitherapeuten en een nauwe samenwerking met de behandelende arts mogelijk maken.
In multidisciplinaire teams kan deze samenwerking vrij natuurlijk verlopen. Het risico bestaat dat het ingewikkelder wordt wanneer artsen en kinesitherapeuten los van elkaar werken. We weten echter dat de moeilijkheid bij interdisciplinaire samenwerking vaak minder ligt in de bereidheid van de beroepsbeoefenaars om samen te werken dan in het ontbreken van een kader voor het organiseren van deze samenwerking en de uitwisseling van informatie.
Het wetsvoorstel, dat naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treedt, is op 21 augustus onderworpen aan een evenredigheidsbeoordeling, waarvan we de resultaten nog niet kennen. Zodra de regeling is ingevoerd, willen we dat deze wordt geëvalueerd bij zowel artsen als kinesitherapeuten om na te gaan hoe deze in de praktijk daadwerkelijk wordt toegepast en, bovenal, of deze de zorg voor patiënten daadwerkelijk verbetert zonder hun zorgtraject te versnipperen.