Hitte van juni-juli 2026 kostte 24.750 verloren levensjaren
Tijdens de eerste twee hittegolven van deze zomer waren er 2.112 meer overlijdens dan verwacht. Bijna een vijfde van hen waren mensen op beroepsactieve leeftijd. Daardoor gingen in totaal 24.750 levensjaren verloren, blijkt uit analyses van Sciensano. Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke wil dat de Risk Management Group (RMG) tegen mei een interfederaal hitteplan klaar heeft.

Tijdens de periode van extreme hitte van 18 juni tot 12 juli 2026 werden in België 8.907 overlijdens geregistreerd. Dat zijn er 2.112 meer dan verwacht, en dit komt overeen met een oversterfte van +31,1%. Dat blijkt uit een nieuw rapport van Sciensano dat de sterftecijfers voor deze periode in detail analyseert. Sterfte tijdens de derde hittegolf (28 juli tot 16 augustus) is niet geïncludeerd.
De oversterfte manifesteerde zich in alle volwassen leeftijdsgroepen. Waar bij hittegolven in het verleden de oversterfte voornamelijk geconcentreerd was bij oudere vrouwen, is er ook een duidelijke oversterfte bij oudere mannen (+65 jaar) en bij mannen op arbeidsleeftijd. In de categorie ‘mannen tussen 45 en 64 jaar’ was de relatieve oversterfte zelfs het hoogst (+46,4%, 201 meer overlijdens dan verwacht).
In de periode tussen 12 juli en 24 augustus kon Sciensano geen ondersterfte vaststellen. Dat bevestigt dat het niet gaat om een verschuiving van sterfte op korte termijn. “Men spreekt bij oversterfte tijdens een hittegolf soms enigszins cynisch over harvesting: de dood oogst mensen die toch gingen sterven”, zei minister Vandenbroucke bij de voorstelling van het rapport. “Ze leefden al in een fragiele gezondheidstoestand en de hitte versnelt helaas die laatste fase van hun leven. Dat is duidelijk niet wat we hier zien. Zieke en zwakke mensen zijn zeker getroffen. Maar zij niet alleen.”
Doordat ook veel jongere mensen (met een hogere levensverwachting) overleden, was de impact in verloren levensjaren veel groter. In totaal gingen 24.750 levensjaren verloren, oftewel gemiddeld 11,8 verloren jaren per extra overlijden. Personen jonger dan 65 jaar staan voor slechts 17% van de extra sterfgevallen, maar voor 42% van de verloren levensjaren.
Oversterfte: de cijfers in de detail 3
De cijfers in detail
Regionale verschillen
De nationale cijfers verbergen grote regionale verschillen. Wallonië kende zowel de hoogste relatieve oversterfte als het hoogste absolute aantal extra overlijdens, met name in de arrondissementen Luik (+80,8%), La Louvière (+60,5%) en Virton (+56,9%). Aan de kust en in het westen van het land werd minder oversterfte waargenomen. In het arrondissement Eeklo was er geen sprake van oversterfte.
Deze geografische verschillen zijn slechts ten dele te verklaren door de geografische spreiding van de meteorologische en milieugerelateerde risicofactoren, zoals minimale temperatuur tijdens de nacht, relatieve vochtigheid en ozonconcentraties. Er spelen nog andere mogelijke factoren, zoals sociaaleconomische status, woonomstandigheden en toegang tot gezondheidszorg, die tot nu toe niet werden onderzocht, zegt Koen Blot, diensthoofd epidemiologie bij Sciensano.
Voor een diepgaand causaal onderzoek zou men ook gegevens over individuele blootstelling (bijvoorbeeld huisvesting, toegang tot actieve koeling, beroepsmatige blootstelling aan hitte, vervoerswijze) en gedrag (bijvoorbeeld naleving van aanbevelingen om fysieke inspanningen te vermijden, gegeven of ontvangen ondersteuning) moeten betrekken, maar deze zijn niet beschikbaar.
Leeftijd en geslacht
De grootste absolute oversterfte naar leeftijd en geslacht werd waargenomen bij vrouwen in de leeftijdscategorie 85-89 jaar (226 extra sterfgevallen, +34,7%). De leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder was goed voor 1.745 extra sterfgevallen, oftewel 82,6% van de totale oversterfte. Over alle leeftijden heen waren de cumulatieve schattingen vergelijkbaar voor vrouwen (1.107 extra sterfgevallen, +32,1%) en mannen (1.005 extra sterfgevallen, +30,1%).
Er is een duidelijk verschil in absolute oversterfte tussen mannen en vrouwen in de categorie van de beroepsbevolking (leeftijden 15-44 en 45-64 jaar). In de leeftijdsgroep 15-44 jaar waren er 52 extra sterfgevallen onder mannen tegenover 4 onder vrouwen, en in de leeftijdsgroep 45-64 jaar waren er 201 extra sterfgevallen onder mannen tegenover 103 onder vrouwen. Ook hier ontbreken gegevens over individuele risicofactoren en gedrag om deze verschillen objectief te verklaren.
Sterfte hoger dan verwacht
Sciensano heeft de reële sterftecijfers vergeleken met een zelf ontwikkeld model om de dagelijkse sterfte te voorspellen. Dat model is gebaseerd op het verwachte aantal sterfgevallen voor de tijd van het jaar en de bevolkingssamenstelling. Het model werd verfijnd met geregistreerde risicofactoren zoals temperatuur en ozonconcentraties.
Op basis van het model was een hogere mortaliteit tijdens de hitteperiode te verwachten, vooral gezien het aantal opeenvolgende tropische nachten (Tmin ≥ 20 °C). De sterftepieken op 27 en 28 juni lagen echter nog ver boven de voorspellingen van het model. Ze haalden het niveau van de pieken in oversterfte tijdens de coronacrisis.