Hoe “FIT” is de medisch adviseur?
Is een medisch adviseur “fit” genoeg om een patiënt met een depressie of een andere psychiatrische aandoening als “arbeidsgeschikt” te verklaren?
Dr. Georges Otte, neuropsychiater
Indien de Orde der Artsen ooit heeft aanbevolen om medische adviseurs bij voorkeur te rekruteren uit artsen met een ruime klinische ervaring, dan kan men moeilijk stellen dat de jonge medische adviseur Dr. De Meyer, die recent in De Tijd aan het woord kwam, ongeacht (en met respect voor) zijn inzet en gedrevenheid, volledig binnen deze visie past.
Mogelijk is een dergelijk advies niet bindend, en bestaan er andere redenen waarom mutualiteiten ervoor kiezen om jonge twintigers aan te stellen als medisch adviseur of controlearts.
Bedenkingen
Het artikel in De Tijd roept vragen op wanneer men leest dat de betrokken medisch adviseur in nauwelijks dertig minuten een beslissing moet nemen over de arbeidsgeschiktheid van de patiënt die voor hem zit. Een degelijke beoordeling vergt niet alleen grondige klinische ervaring, maar ook groot menselijk inzicht om deze taak naar behoren uit te voeren.
Van die dertig minuten gaat bovendien een aanzienlijk deel verloren aan het doornemen van vaak uitgebreide verslaggeving en dossiers, waardoor er uiteindelijk slechts enkele minuten overblijven om tot een definitieve conclusie te komen: arbeidsongeschikt of niet.
Waarover gaat het? Psychiatrie!
Omdat de kwestie van langdurige ziekte voornamelijk betrekking heeft op psychiatrische aandoeningen zoals depressie, burn-out, angst en verslaving, moet de medisch adviseur beschikken over uitgebreide psychiatrische ervaring en vaardigheden. In de Code van medische deontologie (Art.43) lezen we: Het is nodig dat de beoordelaar voldoende bekwaam is in het domein waarover hij moet oordelen.
Grondige kennis van en ervaring in de psychiatrie zijn geen competenties van een medisch raadgevend geneesheer. Toch wordt ervan uitgegaan dat hij of zij kan oordelen over de ernst en aard van een reeks psychiatrische aandoeningen in een domein waarin hij of zij geen ervaring heeft.
Die kennis is essentieel om mensen met deze aandoeningen correct te kunnen beoordelen. Ze is belangrijk om echte psychiatrische problemen te onderscheiden van situaties van verergering, regressie of simulatie. Hoedje af voor elke collega die dat feilloos kan, en dat binnen een kort tijdsbestek van amper 30 minuten per patiënt.
In het artikel staat dat de collega in twee van de drie gevallen de werkbekwaamheid positief inschat. Ik hoop dat hij zich nooit vergist, want een foutieve beoordeling kan de symptomen van de ziekte flink verergeren. Soms is maar een kleine extra stressfactor nodig om een patiënt over de rand te duwen.
Collega’s die zeggen dat ze geen kennis hebben van catastrofale symptoomverergeringen of zelfs zelfmoordpogingen bij een patient na een bezoek of een confronterend gesprek met een medisch adviseur of controlearts, mogen dit gerust tegenspreken
Differentiaaldiagnose: is de adviseur competent?
Het onderscheid maken tussen daadwerkelijke onmogelijkheid tot werken en regressief- of vermijdingsgedrag vereist grote therapeutische kennis, tact en psychologische finesse. Een confronterende aanpak met uitspraken als “Het zit tussen uw oren” zal de patiënt zowel versterken in het ziektegedrag als een reactie van krenking en woede oproepen, waardoor de stap naar de vakbond, advocaat of arbeidsrechtbank voor stevige tegenwind zal zorgen.
Het behoeft weinig betoog dat dit erg contraproductief zal werken, met hogere kosten voor de maatschappij en een ellenlange procedure waar niemand baat bij heeft, en een bijkomende zware belasting voor de al overbelaste magistratuur en een gerechtelijk apparaat, dat nog meer onder druk komt te staan.
Wij hebben veel respect voor de jonge collega-adviseur die in dit krantenartikel mondig en moedig genoeg is om de enorme taak en verantwoordelijkheid die hem en zijn collega’s zijn opgelegd, duidelijk in beeld te brengen. Gezonde communicatie en respect voor zowel de controlearts als de patiënt en de behandelende arts(en) zijn de hoekstenen van een goede werking, de primaire vereiste en de beginvoorwaarde om een uitweg te vinden uit dit groeiende “sinkhole” van geldverslindende werkongeschiktheid door chronisch zieken met vooral psychosociale en/of psychiatrische symptomatologie.
Hoewel het probleem bekend is en men het helaas al decennialang laat aanmodderen, is eindelijk de tijd rijp om het zowel professioneel als menselijk, maar ook efficiënt, aan te pakken — niet met een zoveelste “fit-formulier” of een schavot- of hakbijlpolitiek, maar binnen een ethisch-hippocratisch overlegkader met alle betrokkenen.
Procedures daartoe zijn al diverse malen in detail gepubliceerd, maar lijken moeilijk door te dringen. Ze verdienen nochtans een breed debat met alle betrokkenen, wat een veel grotere kans op succes garandeert dan enkel politiek solipsisme resulterend in top-down opgelegde sanctioneringsmaatregelen waarbij de Zwarte Piet (of een woke versie ervan) steevast doorgeschoven wordt naar de medisch adviseur of deartsen in het algemeen.
Wat zegt de Orde der Artsen?
Hoewel de wetgeving (de ZIV-wet) de formele voorwaarden bepaalt voor de aanstelling van een adviserend arts, stelde de Orde in haar deontologische reflecties het volgende:
- Klinische expertise als morele plicht: de Orde stelt dat een adviserend arts niet louter een 'controleur van dossiers' mag zijn. Om een medische toestand, zoals arbeidsongeschiktheid of de noodzaak voor een specifieke behandeling, correct te kunnen inschatten, moet de arts beschikken over een recente en relevante klinische achtergrond.
- Kwaliteit van het onderzoek: het besluit van de adviserende arts moet gebaseerd zijn op hoogstaand kwaliteitsonderzoek. De Orde benadrukt dat een arts die te lang uit de praktijk is, het risico loopt de evolutie in de geneeskunde en de feitelijke impact van een aandoening op het dagelijks leven van een patiënt te onderschatten.
- Gelijkwaardigheid: In het advies wordt gesuggereerd dat de beoordelende arts idealiter een deskundigheid moet hebben die gelijkwaardig is aan die van de behandelende arts in de betreffende discipline, om een gefundeerde tegensprekelijke discussie te kunnen voeren.