Gezondheid van de vrouw: niet te missen afspraken
GYNAECOLOGIE Vrouwen hebben in elke levensfase — van de puberteit tot de menopauze — andere zorg en medische ondersteuning nodig. Daarnaast moet ook meer werk worden gemaakt van preventie. HPV-vaccinatie, seksuele gezondheid, contraceptie, kankerscreening, menopauze, fractuurrisico,... Het zijn afspraken die de huisarts niet mag missen.

De gezondheid van de vrouw gaat veel breder dan de gynaecologische sfeer. Tijdens de verschillende levensfasen kan de huisarts ook werken aan de mentale en cardiovasculaire gezondheid van vrouwen, geweld opsporen en informatie halen uit de verloskundige voorgeschiedenis.
Adolescentie en begin van het reproductieve leven: de basis leggen
De adolescentie leent zich bijzonder goed om het te hebben over preventie, vaccinatie, seksuele gezondheid en de beleving van de eerste menstruatie. Als er geen symptomen of bijzondere indicatie zijn, is een inwendig bekkenonderzoek over het algemeen niet nodig. Op spreekuur kan je het ook hebben over seksualiteit, vertrouwelijkheid en informed consent. (1)
Vaccinatie tegen het humane papillomavirus (HPV) wordt aangeraden bij meisjes en jongens van negen tot veertien jaar. De vaccinatie bestaat uit twee doses. Dat schema kan ook worden voorgeschreven als inhaalschema tot en met de leeftijd van 18 jaar. Vanaf de leeftijd van 19 jaar bestaat de vaccinatie uit drie doses van het HPV9-vaccin na nul, twee en zes maanden. Sinds 1 juni betaalt het RIZIV Gardasil 9® terug tot en met de leeftijd van dertig jaar. Vaccinatie blijft interessant na het begin van het seksuele leven, maar beschermt niet tegen de HPV-types waarmee de vrouw dan al is geïnfecteerd. (2)
De eerste jaren na de menarche is de menstruatiecyclus vaak onregelmatig. Tijdens het eerste jaar is dat nog fysiologisch. Cycli korter dan 21 of langer dan 45 dagen een tot drie jaar na de menarche en korter dan 21 of langer dan 35 dagen vanaf drie jaar na de menarche, minder dan acht cycli per jaar en cycli > 90 dagen meer dan een jaar na de menarche worden als onregelmatig beschouwd. (3) Circa 8% van de adolescente meisjes heeft een PMOS (polyendocrien metabool ovarieel syndroom). Dat is sinds mei 2026 de nieuwe naam voor het polycysteus ovariumsyndroom. (4) Het is echter niet eenvoudig die diagnose te stellen op adolescentenleeftijd.
De diagnose van PMOS stoelt op onregelmatige menstruatiecycli en een klinisch en/of laboratoriumbeeld van hyperandrogenisme na uitsluiting van de differentiële diagnosen. Een echografie van de ovaria voor evaluatie van de vorm van de ovaria en een bepaling van de AMH-spiegel worden niet aanbevolen om de diagnose te stellen binnen acht jaar na de menarche. Naast die gynaecologische verschijnselen correleert een PMOS ook met een hoger risico op glucose-intolerantie en type 2-diabetes en een hogere prevalentie van depressie (tot viermaal hoger dan bij adolescenten zonder PMOS). (3)
Je mag een invaliderende dysmenorroe niet wegwuiven. Endometriose kan immers optreden vanaf de adolescentie. Je moet eraan denken in geval van chronische of cyclische bekkenpijn, erge dysmenorroe, dyschezie, dysurie en dyspareunie. (5)
Bij de start van het seksuele leven hangt de opsporing van seksueel overdraagbare infecties af van de seksuele praktijken en de risicofactoren. Bij een vrouw zonder symptomen is een screening wenselijk bij onbeschermde geslachtsgemeenschap, een nieuwe partner van wie geen informatie bekend is over een eventuele seksueel overdraagbare infectie, multipele of simultane partners of een anonieme partner. Waakzaamheid is ook geboden als de patiënte of haar partner deel uitmaken van een groep die meer wordt blootgesteld aan seksueel overdraagbare infecties, met name sekswerkers, mannen die seks hebben met mannen, en mensen die drugs injecteren. (6)
Chlamydia trachomatis en gonokokken spoor je op met een nucleïnezuuramplificatietest (NAAT). Op een staal van de vulva en de vagina kan je die twee infecties tegelijkertijd opsporen. Afhankelijk van de seksuele praktijken en de blootgestelde plaatsen kan je ook stalen van de farynx en de anorectale streek nemen. Mogelijke andere seksueel overdraagbare infecties zijn hiv-infectie, syfilis, hepatitis B en hepatitis C. Die kan je opsporen naargelang van het risicoprofiel. Ook moet je nagaan of de vrouw gevaccineerd is tegen het hepatitis A- en het hepatitis B-virus. (6) Op de website depistage.be vind je de plaatsen in België die zo’n screening uitvoeren, en vind je ook praktische informatie over de verschillende seksueel overdraagbare infecties.
Ook moet je informatie geven over contraceptie. Voor het starten van een voorbehoedmiddel en tijdens de follow-up moet je de verwachtingen, de gezondheidstoestand en eventuele risicofactoren van de vrouw evalueren: rookgedrag, migraine met of zonder aura, risico op trombo-embolie, hypertensie, hart- en vaataandoeningen, diabetes en diabetische complicaties, leverlijden, borstkanker en geneesmiddelen die interacties kunnen aangaan met de contraceptie. Je moet de bloeddruk meten voor je een gecombineerd hormonaal anticonceptivum start. Bij een gezonde vrouw hoef je de serumlipiden en de glykemie niet te bepalen en hoef je geen bekkenonderzoek en cytologisch onderzoek van de baarmoederhals uit te voeren bij het starten van contraceptie. (7)
Van het reproductieve leven naar de middelbare leeftijd: de preventie verbreden
Een zwangerschap biedt een venster op de latere cardiovasculaire gezondheid. Verloskundige complicaties zoals zwangerschapshypertensie, pre-eclampsie, zwangerschapsdiabetes en vroeggeboorte correleren met een hoger cardiovasculair en metabool risico later. Na zwangerschapsdiabetes is het raadzaam een OGTT uit te voeren zes tot twaalf weken na de bevalling, opnieuw na zes tot twaalf maanden en vervolgens jaarlijks om diabetes op te sporen. Bij dergelijke verloskundige complicaties moet je zoeken naar wijzigbare cardiovasculaire risicofactoren en die snel corrigeren. (8)
Kankerscreening is ook belangrijk. Voor de opsporing van baarmoederhalskanker bij vrouwen van 25-29 jaar voer je om de drie jaar een cytologisch onderzoek uit. Tussen de leeftijd van 30-64 jaar vraag je een HPV-test aan om de vijf jaar; als die positief is, vraag je een cytologisch onderzoek aan. Vanaf de leeftijd van 65 jaar kan je een HPV-test én een cytologisch onderzoek aanvragen als de laatste tien jaar geen enkele screening is terugbetaald. (9)
Voor de opsporing van borstkanker bij vrouwen van 50-69 jaar zonder symptomen en zonder risicofactoren wordt een Mammotest om de twee jaar aanbevolen. In geval van symptomen of een hoger risico en meer bepaald een familievoorgeschiedenis of genetisch risico moet je het diagnostische beleid en de bewaking bij elke patiënte afzonderlijk aanpassen.(10)
De screening op colorectale kanker mikt op mensen van 50-74 jaar zonder symptomen en zonder risicofactor en bestaat in een fecaal occult bloedtest om de twee jaar. Als die positief is, wordt een colonoscopie aangeraden. In geval van gastro-intestinale symptomen, een chronische inflammatoire darmaandoening of een persoonlijke of familievoorgeschiedenis van colorectale kanker moet je een specifieke strategie uitstippelen los van het georganiseerde screeningsprogramma.(11)
Verder zijn er problemen waar je op elke leeftijd aan moet denken, zoals lichamelijk, seksueel, verbaal, psychisch en economisch geweld. Aangezien die niet altijd spontaan worden vermeld, moet de huisarts tekenen van geweld opsporen, de vraag stellen en een geschikte aanpak voorstellen.(12) Onder invloed van biologische, psychologische en sociale factoren kunnen bepaalde psychische aandoeningen optreden of verergeren tijdens de menstruaties, tijdens contraceptie, de zwangerschap, de postpartumperiode en de menopauze. Dergelijke problemen kunnen zich ook voordoen in geval van onvruchtbaarheid. Een longitudinale follow-up is wenselijk om die problemen op te sporen en te volgen, maar je mag ze niet overhaast louter toeschrijven aan de hormonale schommelingen. (13,14)
Peri- en postmenopauze: anticiperen op nieuwe risico’s
We spreken van een natuurlijke menopauze na twaalf maanden amenorroe. De perimenopauze wordt gekenmerkt door onregelmatige menstruatiecycli en/of vasomotorische symptomen. Na de leeftijd van 45 jaar wordt de diagnose vooral klinisch gesteld en hoef je over het algemeen de hormoonspiegels niet te bepalen. Tussen de leeftijd van 40 en 45 jaar kan je een laboratoriumonderzoek overwegen. Als je beslist de FSH-spiegel te bepalen, doe je dat het best tussen dag twee en vijf van de cyclus of na meer dan veertig dagen amenorroe. Voor de leeftijd van veertig jaar moet je zoeken naar voortijdige ovariële insufficiëntie als de patiënte onregelmatige menstruatiecycli en vasomotorische symptomen vertoont en/of minder vruchtbaar is. (15)
De menopauze is een goede gelegenheid om het cardiovasculaire risico te herevalueren: hypertensie, roken, dyslipidemie, diabetes, overgewicht of obesitas en een zittende levenswijze. Je moet die risicofactoren opsporen en zo nodig aanpakken voordat je een systemische hormonale substitutietherapie (HST) voor de menopauze overweegt. (15)
In geval van hinderlijke symptomen kan je een HST voorschrijven, vooral tijdens de eerste tien jaar na het begin van de natuurlijke menopauze of voor de leeftijd van zestig jaar na evaluatie van de risico-batenverhouding. Bij vrouwen die hun baarmoeder nog hebben, moet je systemische oestrogenen altijd combineren met een progestageen om het endometrium te beschermen. Ook moet je polsen naar de persoonlijke en familievoorgeschiedenis, comorbiditeiten, kanker, het cardiovasculaire risico, het risico op trombo-embolie, de lopende behandelingen en het bloedingsprofiel en moet je het gewicht en de bloeddruk meten.(15)
Bij een vrouw met symptomen zonder contra-indicatie voor een HST die dicht bij de menopauze is, kan de risico-batenverhouding van een HST gunstig zijn. Dat is de beste behandeling voor vasomotorische symptomen en ook vermindert die behandeling het botverlies en het fractuurrisico zolang ze wordt ingenomen. Je moet de werkzaamheid, het veiligheidsprofiel en de risico-batenverhouding regelmatig opnieuw evalueren. Bij overwegend urogenitale symptomen kan je een vaginaal oestrogeen voorschrijven. Ook glijmiddelen en vochtinbrengende middelen kunnen nuttig zijn. (15)
In geval van onverklaard vaginaal bloedverlies meer dan twaalf maanden na de laatste menstruatie moet je endometriumkanker uitsluiten.(16)
De menopauze is ook een sleutelmoment wat de gezondheid van het bot betreft. Vanaf de leeftijd van vijftig jaar of eerder in geval van een vroege menopauze moet je zoeken naar risicofactoren en die vrouwen moeten dan verder worden onderzocht. De belangrijkste risicofactoren zijn een leeftijd ≥ 65 jaar, een BMI < 20 kg/m², een voorgeschiedenis van osteoporotische fractuur, een heupfractuur bij een eerstegraads verwante, minstens één val per jaar, een inkrimping van de lichaamslengte ≥ 4 cm, menopauze voor de leeftijd van 45 jaar, secundaire osteoporose, diabetes, behandeling met corticosteroïden, een reumatische ontstekingsziekte, actief roken en alcoholconsumptie ≥ 3 eenheden/dag. Ook moet je rekening houden met bepaalde voedingsproblemen, metabole en endocriene aandoeningen en bepaalde geneesmiddelen.(17)
Als de patiënte minstens één belangrijke risicofactor of twee additionele risicofactoren vertoont, moet je het fractuurrisico ramen: voorgeschiedenis van osteoporotische fractuur, meting van de botdichtheid met een DXA en berekening van het fractuurrisico met bv. de FRAX. Het fractuurrisico hangt echter niet louter af van de botdichtheid. Veel fracturen worden geregistreerd bij patiënten met een T-score hoger dan - 2,5.(17) Als je een diagnose van osteoporose stelt, moet je ook zoeken naar een andere oorzaak dan de menopauze. Het laboratoriumonderzoek omvat: CRP, calciumgehalte gecorrigeerd voor het serumalbumine, fosfaat, alkalische fosfatase, creatinine, 25-OH-vitamine D, serumeiwitelektroforese, TSH, PTH en nog andere afhankelijk van de klinische context.(17) De preventie bestaat in lichaamsbeweging (belasting en spierversterkende oefeningen), voldoende inname van calcium en vitamine D, rookstop, minder alcohol drinken en valpreventie.(17)
Referenties:
1. American College of Obstetricians and Gynecologists (ACOG). The Initial Reproductive Health Visit. Committee Opinion No. 811. Obstet Gynecol. 2020;136.
2. Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). Vaccin tegen het humane papillomavirus (HPV). Gecommentarieerd geneesmiddelenrepertorium. Nieuwe geneesmiddelen juni 2026 - 9-waardig HPV-vaccin (Gardasil 9®). 2026.
3. Peña AS, et al. International evidence-based recommendations for polycystic ovary syndrome in adolescents. BMC Med. 2025;23:151. doi:10.1186/s12916-025-03901-w.
4. Institut national de la santé et de la recherche médicale (Inserm). Syndrome des ovaires polykystiques (SOPK)/Syndrome métabolique ovarien polyendocrinien (SMOP). Mise à jour le 2 juin 2026.
5. National Institute for Health and Care Excellence (NICE). Endometriosis: diagnosis and management. NICE guideline NG73. Updated November 2024; reviewed September 2025.
6. Jespers V, Stordeur S, Desomer A, et al. Eerstelijnsaanpak van seksueel overdraagbare aandoeningen: ontwikkeling van een interactieve tool als ondersteuning bij de raadpleging. KCE rapport 321B. Brussel: Federaal Centrum voor de Gezondheidszorg (KCE); 2019. doi:10.57598/R321BS.
7. World Health Organization. Medical eligibility criteria for contraceptive use. 6th ed.; Selected practice recommendations for contraceptive use. 4th ed. Geneva: WHO; 2025.
8. De Backer J, Haugaa KH, Hasselberg NE, et al. 2025 ESC Guidelines for the management of cardiovascular disease and pregnancy. Eur Heart J. 2025;46(43):4462-4568. doi:10.1093/eurheartj/ehaf193.
9. Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). Invoering van de HPV-test als primaire screeningtest bij de opsporing van baarmoederhalskanker. In voege getreden op 1 januari 2025.
10. Centre Communautaire de Référence pour le dépistage des cancers. Programme de dépistage du cancer du sein - Mammotest. Fédération Wallonie-Bruxelles.
11. Centre Communautaire de Référence pour le dépistage des cancers. Programme de dépistage organisé du cancer colorectal. Fédération Wallonie-Bruxelles.
12. Vandenberghe A, Fomenko E, Keygnaert I. Praktische richtlijn aanpak seksueel en intrafamiliaal geweld in eerste lijn. Brussel: FOD Volksgezondheid, 2023.
13. Howard LM, Wilson CA, Reilly TJ, et al. Women’s reproductive mental health: currently available evidence and future directions for research, clinical practice and health policy. World Psychiatry. 2025;24(2):196-215. doi:10.1002/wps.21305.
14. American College of Obstetricians and Gynecologists (ACOG). Screening and Diagnosis of Mental Health Conditions During Pregnancy and Postpartum. Clinical Practice Guideline No. 4. Obstet Gynecol. 2023.
15. Lumsden MA, Dekkers OM, Faubion SS, et al. European Society of Endocrinology clinical practice guideline for evaluation and management of menopause and the perimenopause. Eur J Endocrinol. 2025;193(4):G49-G81. doi:10.1093/ejendo/lvaf206.
16. National Institute for Health and Care Excellence (NICE). Suspected cancer: recognition and referral. NICE guideline NG12. Updated 15 April 2026.
17. Nijs H, Dupont J, Dejaeger M, De Vlam K, Laurent MR, Gielen E. Update over de diagnose en behandeling van postmenopauzale osteoporose. Tijdschrift voor Geneeskunde en Gezondheidszorg. 2025;81:105-120. doi:10.47671/TVG.80.24.105.